Maurus Moreels

Maurus Moreels II zag het levenslicht in Mechelen in de Peperstraat (Kan. De Deckerstraat) rond het jaar 1585; hij werd dus gedoopt in de St. Katelijnekerk.

De jonge Moreels begaf zich aan de studie van de kunst, eerst onder leiding van zijn vader maar nadien perfectioneerde hij zich in het atelier van zijn oom Pierre Stevens, eerste schilder van Rudolf II. Deze artiest, die in Praag woonde, stierf er in 1604. In 1621 werd Moreels opgenomen in de St. Lucasgilde.

Vanaf 1616 was hij teruggekeerd naar zijn geboortestad vermits hij de 25ste november van dat jaar huwde in St. Rombouts met Elisabeth Mannaerts, waarmee hij zeven kinderen had.
Maurus Moreels II woonde in het ouderlijke huis, de Gulden Helm, (ter hoogte van de AB-straat) dat hij geërfd had en waar al zijn kinderen geboren zijn; maar aan het einde van zijn leven kwam hij sterven in zijn geboorteparochie want de necrologie van St. Katelijne vermeldt: A° 1647, 6 decembris obit Mauritius Moreels, 32 pond.

Wij hebben elders aangetoond dat Moreels II een groot schilder was (Katholiek Tijdschrift oktober 1875).
Deze waardering komt voort uit het enige werk dat wij van hem kennen en dat op het altaar van de noordelijke dwarsbeuk prijkt in de St. Katelijnekerk te Mechelen. Het onderwerp van dit groot doek, dat 4,80 m. hoog is en 3,52 m. breed, is de Aanbidding der Wijzen. Niet minder dan achttien figuren spelen mee in dit tafereel dat zich afspeelt in open lucht. Aan de linkerzijde van de compositie zit de Heilige Moeder met haar Zoon op haar schoot.
Deze groep leunt tegen een rots begroeid met struikgewas dat een deel van de lucht bedekt. Eén van de rijk geklede Wijzen, knielt voor de Verlosser waarvan hij vroom de hand kust. Aan de voeten van Maria heeft hij reeds de gouden beker gezet met mirre. St. Jozef zit geknield achter dit personage en overschouwt de scène met gevouwen handen.
Een volgeling van de aanbiddende Wijze zit op één knie op een pas van zijn meester, de elleboog rustend op zijn dij, het hoofd gebogen en de actie met interesse volgend. Zijn kleding is somber.
De twee andere prinsen, aan de rechterzijde, wachten hun beurt af om hun eerbewijzen aan Jezus aan te bieden. De ene in het midden van het schilderij, waarvan men alleen de buste onderscheidt, houdt de vaas die het goud bevat in de hand. Voor hem, op het eerste plan, staat de derde van de koningen fier tussen zijn bedienden. Hij is van het zwarte ras. In de ene hand houdt hij een zilveren wierookvat terwijl hij met de andere, die steunt op zijn heup, de stof vasthoudt van een wijde met goud geborduurde rode mantel.
Twee bedienden, van dezelfde kleur als de prins, vergezellen hem: de ene giet het parfum in het wierookvat van zijn heer, terwijl de andere de plooien van zijn prachtige kleding schikt. Een derde zwarte bediende, maar in profiel gezien, bewaakt de koninklijke kroon in zijn handen. Dan ziet men een knecht die een getuigd paard in bedwang houdt. Tussen de twee laatste Wijzen verschijnt een toeschouwer, naar alle waarschijnlijkheid de artiest zelf want zijn Europees type contrasteert in het schilderij. Hij heeft een bruine snor omhoog gekruld op zijn Spaans, en lijkt in gesprek met een figuur naast hem waarvan men alleen de ronding van het gezicht ziet. Het tweede en derde plan vormen een groep: een dromedaris, een kameel waarop een kameeldrijver zit, en een olifant bereden door een oppasser voorzien van een kleine haak en die zijn linker hand aan zijn muts houdt als om te groeten. Het silhouet van deze figuur steekt scherp af tegen de azuren lucht. Ongeveer achter de Heilige Maagd staan twee muilezels geladen met waardevolle zaken en balen.
Drie arbeiders, waarvan twee naakt tot aan het middel, zijn bezig de dieren te bevrijden van hun last. De muilezel die ongeveer in het midden van het schilderij staat, heeft een rijk geharnaste kop getooid met pluimen. Op de borst draagt hij een bewerkte gouden schotel. (In onze vermelding zeiden we dat dit blazoen de sprekende wapens voorstelden van Maurus Moreels).

Spijtig genoeg is de verf hier zo donker geworden dat de beelden van het achterplan vandaag op het eerste zicht een uniforme en ietwat vage tint gekregen hebben. Het schilderij is niet ondertekend, enkel de datum 1615 is erop genoteerd. Zo ziet het geheel van dit doek eruit dat ons bezig houdt, enkele details daar gelaten.
De groep, vooral die van de koninklijke karavaan, is natuurlijk en eenvoudig. In dit deel zijn het natuurlijk de Wijzen die in het oog springen door de kunstige weergave van hun kleding en de schijnbare echtheid van de stoffen. Deze prinsen hebben een nobele houding zonder voorgaande en een opmerkelijke ongedwongenheid. Ze zijn veel hoogstaander dan de Heilige Maagd en haar Zoon, waarvan de figuren minder geslaagd zijn en die er baat zouden bij gevonden hebben minder dicht bij het kader geschilderd te zijn. Voor de uitvoering doen de Drie Koningen dus amper onder voor de eerste meesters van onze school. Vooral de twee Wijzen van het eerste plan zijn prachtige en grandioze types, meesterlijk getekend, die op een duidelijke manier het karakter van de nationale stijl dragen. Nochtans zijn ze misschien te duidelijk op de voorgrond van de scène geplaatst. Het is voor hen dat de artiest zijn talent voorbehouden heeft. De Heilige Moeder daarentegen vormt een ergerlijk kleurcontrast met de andere personages van de compositie. Want, niettegenstaande haar kleur zonder twijfel tot de Italiaanse school behoort, is haar houding niet bevallig. Het heilig Kind is echter wel weergegeven met meer uitdrukking. Het eerste wat deze groep nochtans zal oproepen in de geest, is dat het een uitsnede van een vreemd schilderij is.

Het is jammer te moeten toevoegen dat het schilderij dat we hier onder ogen hebben hetzelfde lot heeft ondergaan als zoveel meesterwerken die het slachtoffer waren van onhandige restauraties tijdens de vorige eeuw. Vanaf 1765 heeft Christophe Van Laer dit schilderij bewerkt. Hij wordt beschouwd als de auteur van de eerste beschadigingen. Hij heeft de lucht herschilderd en heeft de achtergrondfiguren, die zich volgens hem niet duidelijk genoeg aftekenden, omgeven door roestbruine randen.
Op 22 juni 1771 heeft J. B. Joffroy, man met smaak en amateur van antiek, geprobeerd de fouten van zijn voorganger te verhelpen. Niettegenstaande de zorgen die Joffroy had besteed aan het schilderij van de St. Katelijnekerk, was het tijdens de Franse Revolutie opnieuw zo gehavend dat het niet gewaardeerd werd door de commissarissen van de Republiek die de kerken moesten plunderen in opdracht van de Staat. Op 12 fructidor ( ) an II (29 augustus 1794) kwamen commissaris Barbier, luitenant van het 5de huzaren regiment en commissaris Léger, adjunct van de generale adjudanten, beiden aangesteld door de volksvertegenwoordigers, het schilderij beoordelen en vonden het onwaardig om te prijken in de musea van de Republiek.
De kerkmeesters, die het bezoek vreesden van andere commissarissen die meer kennis hadden van kunst dan de twee soldaten, spoedden zich om het doek te verwijderen van het altaar waar het ingekaderd was, rolden het op en verstopten het op een kleine zolder boven de doopkapel. Daar bleef het tot in 1803.

Toen men het uit deze plaats haalde merkte men dat het ten gevolge van de laatste behandeling veel geleden had en de Mechelse schilder Suetens kreeg de opdracht om het zo goed mogelijk terug in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. In de loop van deze eeuw werd het schilderij weer toevertrouwd aan een kunstenaar, tevens handige restaurateur, Pierre Corneille Morissens. Deze zette het werk weer op zijn plaats tot algemene bevrediging op 8 april 1846. Nochtans had het schilderij na een verblijf van vijfentwintig jaar in een slecht geventileerde kerk weer enige zorgen nodig die handig uitgevoerd werden door M. J. Bernaerts in 1867.
Zoals alle opmerkelijke stukken duurde het niet lang vooraleer het schilderij van de St. Katelijnekerk tot de verbeelding van het volk sprak. Het volk bewaart hieraan een traditie, een belangrijke informatie die ons geholpen heeft de ware auteur te achterhalen. Men vertelt dat Pieter Paul Rubens nooit in Mechelen kwam zonder een bezoek aan de St. Katelijnekerk om de Aanbidding van de Wijzen te bewonderen en hiervan inspiratie op te doen.
De kerkbedienden voegen hieraan toe dat de grote schilder de zaken grondig deed en niet buiten ging zonder aan de klerk een Spaanse Kroon (geldstuk) te geven. In ons Katholiek Tijdschrift hebben we vermeld dat volgens de traditie Maurus Moreels II wel degelijk de auteur is van het doek dat we net beschreven en dat dit schilderij niet toebehoort aan zijn vader noch aan Paul Moreels van Utrecht zoals het werk ‘Mechelen opgeheldert in syne kercken, cloosters, . . ‘ wil doen geloven. In het artikel van Pierre Stevens hebben wij reeds gezegd dat wij weinig geloof hechten aan de echtheid van het portret dat van deze schilder bij de biografie gevoegd werd in de geïllustreerde uitgave van Van Mander want deze afbeelding herinnert op een treffende manier aan het beeld dat Maurus Moreels, neef van Pierre Stevens, zelf plaatste in het schilderij van de St. Katelijnekerk. Ofwel heeft de uitgever van de Geïllustreerde Van Mander het portret van de neef genomen voor die van de oom, ofwel bestond er een perfecte gelijkenis tussen deze twee personages.

zoeken

Dit project werd afgesloten op 31 december 2016.

Onze website "www.4xm.be" blijft wel nog verschillende jaren raadpleegbaar.
Zo kunnen kunstenaars die ooit in het Maurus Moreelshuis exposeerden nog steeds in hun mediaberichten verwijzen naar de gegevens en foto-opnames die wij voor hen op onze website plaatsten.

exposities

Einde project Maurus Moreelshuis Mechelen

Einde project Maurus Moreelshuis Mechelen

Voorzitter Jaap Boelens

Voorzitter Jaap Boelens